Base description which applies to whole site
-Toon begrotingsfasen

22. Evaluaties

Het is voor het verkrijgen van goede beleidsinformatie belangrijk om voorafgaand aan de implementatie van nieuw beleid te bepalen hoe die informatie wordt vergaard en hoe het beleid zal worden geëvalueerd. Om deze reden wordt bij wetsvoorstellen die leiden tot een substantiële beleidswijziging een evaluatieparagraaf opgesteld. Hierin wordt toegelicht of en hoe het beleid zal worden geëvalueerd.57 Dit draagt bij aan een effectieve toetsing van de effectiviteit en efficiëntie van overheidsbeleid op grond van artikel 3.1 van de Comptabiliteitswet 2016.

Werkkostenregeling

Het kabinet stelt een viertal wijzigingen voor in de WKR. De maatregelen betreffen onder andere een vergroting van de vrije ruimte en het gericht vrijstellen van vergoedingen voor een VOG. Met name de verruiming van de vrije ruimte leent zich voor een evaluatie.

Er is geen informatie beschikbaar over benutte gerichte vrijstellingen, nihilwaarderingen en vrije ruimte, omdat werkgevers daar in hun aangifte geen opgave van kunnen doen. Bij de Belastingdienst is wel informatie beschikbaar over de afgedragen eindheffing die verschuldigd is over de overschrijding van de vrije ruimte. In de toekomstige beleidsevaluatie van de WKR zal worden onderzocht of, en zo ja in welke mate, de verruiming van de vrije ruimte tot een afname van het aangegeven bedrag aan eindheffing heeft geleid. Uitgaande van de aangiftecijfers over 2017, wordt in tabel 7 het verwachte effect van de verruiming van de vrije ruimte op de afgedragen eindheffing geschetst.

Tabel 7: Eindheffing WKR

Bedrijfsklassen

Afgedragen in 2017 (in € miljoen)

Mutatie door verruiming (in € miljoen)

Mutatie door verruiming (in %)

1–5 fte

10

– 3

– 33%

5–50 fte

30

– 7

– 24%

50–250 fte

33

– 2

– 6%

> 250 fte

108

– 1

– 1%

Totaal

181

– 13

– 7%

Als alle overige omstandigheden gelijk blijven (ceteris paribus) dan zal de verhoging van de vrije ruimte naar verwachting met name bij het mkb tot minder overschrijding van de vrije ruimte leiden, waardoor de af te dragen eindheffing daalt. Deze door werkgevers aangegeven eindheffing en de ontwikkeling van de aangegeven eindheffing wordt jaarlijks voor de verschillende bedrijfsklassen bijgehouden en vergeleken met de hierboven geschetste verwachte mutatie. Het kabinet informeert de Tweede Kamer uiterlijk in 2024 over de ontwikkeling van de aangegeven eindheffing in de verschillende bedrijfsklassen over de jaren 2015 tot en met 2022.

Aanpassen verhuurderheffing

Om de doeltreffendheid en de effecten van de maatregel tot vermindering van de verhuurderheffing voor nieuwbouw in schaarstegebieden en de maatregel inzake een tijdelijke vrijstelling voor woningen met een tijdelijk karakter in de praktijk te evalueren, zal een evaluatie plaatsvinden. Het verslag met uitkomsten van de evaluatie zal aan de Staten-Generaal worden gezonden.

De evaluatie van de tijdelijke vrijstelling voor woningen met een tijdelijk karakter zal drie jaar na de inwerkingtreding van deze maatregel plaatsvinden en zich richten op de vraag in welke mate de vrijstelling tot een toename van het aantal tijdelijke woningen heeft geleid en heeft bijgedragen aan het versterken van de flexibele schil om de woningmarkt. Hiertoe wordt bezien in welke mate de realisatie van tijdelijke woningen, die nu jaarlijks gemiddeld 3000 woningen bedraagt, is toegenomen na inwerkingtreding van de regeling. Ook wordt daarbij gekeken door welke groepen op de woningmarkt deze woningen worden gebruikt en in welke mate spoedzoekers gebruik hebben gemaakt van deze uitbreiding van de woningvoorraad.

De evaluatie van de heffingsvermindering voor nieuwbouw zal vijf jaar na inwerkingtreding plaatsvinden en zich richten op het effect van de heffingsvermindering op de realisatie van betaalbare huurwoningen in de schaarstegebieden. In dit onderzoek zal de vraag beantwoord worden in welke mate de heffingsvermindering hebben geleid tot een toename van de mogelijkheden voor de huursector om aan de realisatie van voldoende betaalbare huurwoningen te voldoen.

De evaluatie van de tijdelijke vrijstelling voor woningen met een tijdelijk karakter is na drie jaar mogelijk omdat verwacht wordt dat deze tijdelijke woningen relatief snel gerealiseerd kunnen worden. Voor de heffingsvermindering voor nieuwbouw is de verwachting dat na drie jaar nog onvoldoende woningen daadwerkelijk gerealiseerd zullen zijn om conclusies te kunnen trekken. De verwachting is dat na vijf jaar op basis van de voorlopige aanmeldingen en eerste realisaties pas conclusies mogelijk zijn.

Invoeren minimumkapitaalregel voor banken en verzekeraars

Door de invoering van de minimumkapitaalregel voor banken en verzekeraars wordt voor banken en verzekeraars de fiscale prikkel voor de financiering met vreemd vermogen beperkt en is er sprake van een fiscaal meer gelijke behandeling van eigen en vreemd vermogen dan zonder de invoering van deze maatregel. Daarmee wordt het door de minimumkapitaalregel beoogde doel bereikt. Zoals eerder opgemerkt bestaat overigens niet de verwachting dat banken en verzekeraars uitsluitend als gevolg van deze maatregel hun financiering zullen wijzigen. De maatregel draagt daar wel aan bij, maar bij de financieringskeuze zullen ook andere afwegingen een rol spelen.

De minimumkapitaalregel leidt verder (ceteris paribus) naar verwachting tot een hogere belastbare winst voor banken en verzekeraars en dus tot een hoger bedrag aan verschuldigde vennootschapsbelasting. Daarmee levert de maatregel dus een bijdrage aan de grondslagverbreding in de vennootschapsbelasting, waarmee de vennootschapsbelastingtariefverlaging deels wordt gefinancierd.

De opbrengst omvat allereerst de verschuldigde vennootschapsbelasting als gevolg van de in de aangifte vennootschapsbelasting van banken en verzekeraars opgenomen niet-aftrekbare renten op grond van de minimumkapitaalregel. Daarnaast ontstaat er mogelijk een opbrengst doordat banken en verzekeraars in mindere mate een fiscale prikkel ervaren om te financieren met vreemd vermogen, waardoor zij mogelijk meer eigen vermogen aan zullen houden. Bij een hoger eigen vermogen zal een bank of verzekeraar in mindere mate met de minimumkapitaalregel worden geconfronteerd, maar zullen zij ook relatief minder renten van de belastbare winst aftrekken. Als dit het gevolg is van de minimumkapitaalregel, mag dit bedrag ook tot de opbrengst gerekend worden. Het kwantitatieve effect hiervan is niet te bepalen, aangezien andere afwegingen (zoals het prudentiële kader en macro-economische ontwikkelingen zoals renteniveau en winstgevendheid) naar verwachting een grotere invloed hebben op het al dan niet aanhouden van meer eigen vermogen. De Tweede Kamer zal uiterlijk in 2027 worden geïnformeerd over de opbrengst van deze maatregel over de jaren 2020 tot en met 2025.

Elektronische uitgaven

Met de introductie van het verlaagde btw-tarief op het langs elektronische weg leveren of uitlenen van elektronische uitgaven en het verlenen van toegang tot nieuwswebsites zoals die van dagbladen, weekbladen en tijdschriften beoogt het kabinet een gelijk speelveld tussen fysieke boeken, kranten en tijdschriften en het via elektronische weg leveren van de gedigitaliseerde inhoud daarvan. Het doel van de maatregel is het creëren van een gelijk speelveld. In oorsprong had de invoering van een verlaagd btw-tarief op fysieke uitgaven als doel «het lezen te bevorderen omdat het in het algemeen sterk ontwikkelend werkt». Om te onderzoeken of de gekozen vormgeving van de voorgestelde maatregel en het toepassen van een laag btw-tarief op fysieke en elektronische uitgaven doeltreffend en doelmatig is, worden in 2023 zowel de voorgestelde maatregel als het verlaagde tarief op fysieke uitgaven betrokken bij een beleidsevaluatie. In dat kader zullen in elk geval de volgende onderzoeksvragen worden beantwoord:

Heeft de maatregel in de beleving van de mediasector en Belastingdienst (betrokken partijen) geleid tot een meer gelijk speelveld tussen fysieke en elektronische uitgaven (onderzoeksmethode: interviews betrokken partijen)?

Is de gekozen afbakening voor toepassing van het verlaagde tarief op fysieke uitgaven en elektronische uitgaven voor de betrokken partijen uitvoerbaar en handhaafbaar (onderzoeksmethode: interviews betrokken partijen)?

Komt het gerealiseerde budgettaire effect van de maatregel overeen met het geraamde effect (onderzoeksmethode: kwantitatieve analyse door een onderzoeksbureau)?

Heeft de maatregel geleid tot een prijsdaling voor elektronische uitgaven (onderzoeksmethode: kwantitatieve analyse door een onderzoeksbureau)?

Heeft de maatregel geleid tot substitutie-effecten met fysieke uitgaven (onderzoeksmethode: kwantitatieve analyse door een onderzoeksbureau)?

Vrijstelling in de assurantiebelasting voor brede weersverzekeringen

Met de introductie van de vrijstelling assurantiebelasting voor brede weersverzekeringen beoogt het kabinet de deelname van agrariërs aan deze private verzekering te stimuleren. In dit kader is in 2010 een premiesubsidieregeling voor brede weersverzekeringen geïntroduceerd. Uit een eerdere evaluatie door de Wageningen Universiteit is gebleken dat de verzekering nog een beperkte deelnamegraad heeft.58 Respondenten zonder brede weersverzekering geven als voornaamste redenen om geen verzekering af te sluiten aan, dat zij het eigen risico en de premie van de verzekering te hoog vinden. De introductie van de vrijstelling verlaagt de kosten van de verzekering voor de agrariërs. Daarnaast zal ook het verplichte eigen risico van de verzekering door het kabinet verlaagd worden middels een verlaging van de schadedrempel van 30% naar 20%. In de toekomstige beleidsevaluatie van de brede weersverzekering zal worden onderzocht of, en zo ja in welke mate, de invoering van de vrijstelling assurantiebelasting tot een (verdere) toename van het aantal brede weersverzekeringen hebben geleid. Daarnaast zal worden bekeken in hoeverre de verlaging van de schadedrempel heeft bijgedragen aan een (verdere) toename van het aantal brede weersverzekeringen. In 2017 en in 2018 bedroeg het aantal deelnemende agrariërs ruim 1700 (1708 resp. 1722). Verzekeringsdeskundigen schatten in dat de vrijstelling assurantiebelasting tot circa 9% meer deelnemers zal leiden; de verlaging van de schadedrempel zal leiden tot een stijging van deelnemersaantal tussen 0 en 30%. Voor dit onderzoek zullen data van RVO.nl worden gebruikt. RVO.nl monitort namelijk jaarlijks voor hoeveel hectare van hoeveel agrariërs een brede weersverzekering wordt afgesloten.

57

Motie van de leden van Weyenberg en Dijkgraaf, Kamerstukken II 2016/17, 34 725, nr. 8.

58

Berkhout, Van Asseldonk, Van der Meer, Van der Meulen en Silvis, 2016. Evaluatie Regeling Brede Weersverzekering. Wageningen Economic Research, Rapport 2016–070.

Licence